De blikken trommel van de fam. Kool

auteur: Jaap L. van de Gruiter
bron: Jaarboek 2024

Dat was best even spannend toen in de herfst 2022, door notaris Rinske Mantel-Kooistra, een blikken trommel bij Jaap v.d. Gruiter werd bezorgd.

Deze had jarenlang bij haar, ongeopend, in de kluis gestaan. De herkomst was niet bekend, de inhoud ook niet. Ze vond hem wel de geschikte persoon om de inhoud te onderzoeken en er eventueel een artikel voor het jaarboek van Oud Andijk over te schrijven. Er bleek veel informatie over de familie Kool in te zitten. 

Wie was de familie Kool? Reinder Kool trouwde in 1873 met Marijtje Kooijman, dochter van de toenmalige burgemeester van Andijk: Pieter Kooijman Rzn. Het echtpaar kreeg tien kinderen, van wie dochter Aagje vroeg is overleden. De overige kinderen zijn zeer oud geworden. Reinder Kool overleed in 1920 op 70-jarige leeftijd en zijn vrouw Marijtje in 1952. Zij werd 98 jaar. Dochter Jantje (‘zuster Kool’), heeft haar moeder in haar laatste levensjaren verzorgd. De zonen Reinder (junior dus) en Dirk, beiden ongehuwd, waren toen ook nog thuis en ze woonden met z’n allen in de boerderij aan het ‘Kooles pad’. 

Deze Reinder en Dirk waren bouwers en eigenlijk hun tijd ver vooruit. Ze waren er als de kippen bij wanneer er iets nieuws was op hun gebied. Reinder was een technicus in hart en nieren, machines hadden zijn warme belangstelling. Toen in 1921 ‘Akkerbouw’ een demonstratie met een spitmachine organiseerde, waren het ‘de Kooltjes’ die er een kochten.  Firma Brinkmann en Niemeijer was de leverancier en de prijs bedroeg maar liefst fl. 2.950. Het omgaan met zo’n machine was een vak apart, maar in goede handen bij Reinder. Hij werd ook loonfrezer, werkte ermee in Opperdoes en zelfs in de Langedijk. Wie zich ook druk maakte als dat ding weer ’s weigerde, Reinder nooit. Hij repareerde alles zelf en had vele onderdelen op voorraad. Hij werd zelfs verkoper van freesmachines. Deze afdeling van hun bedrijf is later overgegaan naar Minne van Heezen. 

Kools Hoeve (bouwjaar 1700) aan de Oosterweg 14 Andijk, is begin jaren ’50 van de vorige eeuw door de gebroeders Kool verkocht aan Kl. Boeder, gehuwd met Trijntje Klein. Tegenwoordig herbergt de stolp een fokkerij van whippets, een kleine windhond. 

Voor de Tweede Wereldoorlog was het houden van tentoonstellingen op het gebied van land- en tuinbouwproducten een regelmatig gebeuren en aan vele hebben de Gebr. Kool deelgenomen. Ook het selecteren van gewassen had hun volle aandacht en gezien de vele medailles en diploma’s werd het ook gewaardeerd. Hun succesnummer was de introductie van de ‘Kola’ rozijnerwt, een grauwe erwt met een bijzonder lekkere smaak en dunne schil. ‘Kola’ (Kool’s Langstro) werd opgenomen in de lijst van erkende rassen in Nederland en dat wilde toen heel wat zeggen. 

De belangstelling van Dirk Kool ging ook uit naar de gemeenschap, hij was een sociaal mens zouden we nu zeggen. Velen hebben van hem zwemmen geleerd en hij was instructeur van de ‘Nederlandsche bond tot het redden van drenkelingen’. De vereniging ‘Zwemlust’, aan de Oosterdijk, kon je vereenzelvigen met Dirk Kool. Ook Reinder kon je er vinden. Hij ging te water en vervolgens op zijn rug liggen drijven. En dat kon hij een hele lange tijd volhouden. 

Reinder was ook muzikaal, getuige de vele lesboeken gitaar- en mandolinemuziek die hij bezat. Beide broers waren lid van de Geheelonthoudersvereniging, de Blauwe Knoop in de volksmond. En ze waren actief bij de ‘Drankbestrijding’. De ‘Jeugdbond voor Onthouding’, de J.V.O. in de wandeling, had in Dirk een groot voorvechter. Samen met Jb. Kaastra heeft Dirk, samen met nog vele anderen, geheelonthouderscafé ’t Centrum aan het Kleingouw opgericht. Dat hield niet lang stand, het pand werd verkocht en werd een ‘gewoon’ café.  

In 1919 werd een vereniging gesticht ‘van sociaal denkende mensen’. Meester Swart was voorzitter en Dirk Kool secretaris. Het was een gemengd gezelschap dat niet lang heeft bestaan. Wel was dit de aanzet om te komen met een eigen lijst voor de e.v. gemeenteraadsverkiezingen. En ze haalden zelfs twee zetels, die bezet werden door Jan Godvliet en Dirk Brouwer.  

Na zijn verhuizing werd de plek van Godvliet in de gemeenteraad ingenomen door Dirk Kool. En in de raadsvergadering van 1 juni 1923 had deze een punt voor de rondvraag: De heer Kool zegt vernomen te hebben dat bij het dagelijks afstempelen van de steunkaarten ter secretarie, de mensen verplicht worden hun hoeden of petten af te zetten. Hij spreekt hierover zijn afkeuring uit, noemt het een onbillijke dwang en zegt dat het afnemen van petten en stempelen, afzonderlijke zaken zijn. De voorzitter antwoordt hierop dat een motie van afkeuring hem niet aangenaam zal zijn, doch geeft bij voorbaat de verzekering hierin geen verandering te zullen brengen. Op de secretarie is elk met ongedekt hoofd aanwezig en dit wordt ook van anderen geëist. Door verschillenden wordt de wellevendheid niet in achtgenomen, terwijl sommigen zelfs zeer onbeschoft en brutaal optraden en zich op verzoek niet wensten te verwijderen. Het was soms zo erg dat de burgemeester zich verschillende keren genoodzaakt zag dusdanige elementen persoonlijk de deur uit te gooien. 

Dirk (links) en Reinder

Naast meerdere muzikale lesboeken bevatte de trommel een Geheelonthouders Zangbundel voor Gemengd Koor, uitgegeven door de Nederlandse Vereniging tot Afschaffing van Alcoholische Dranken. Reinder richtte met enkele medeleden een mandolineclubje op. Tijdens een optreden in 1942 zou dit clubje enkele nummers ten beste geven, maar omdat de mandolines niet te best stemden moest er maar bij gezongen worden. Dan viel dat niet zo op. 

 In 1924 schreef Dirk een schrift over o.a. de werkloosheid in de Gemeente Andijk. Door verschillende oorzaken, zoals de beëindiging van de dijkwerken en de ongekende malaise in de land- en tuinbouw, steeg de werkloosheid tot ongekende hoogte. Werklozen en mensen in de werkverschaffing gingen zelfs in staking. Deze duurde slechts een week maar was uniek in de geschiedenis van Andijk en zelfs West-Friesland. Stakingsleider was Evert Navest.  

Aanleiding voor de staking was het besluit van de gemeenteraad in 1923 (de leden Godvliet en Brouwer waren de betreffende vergadering verhinderd), om de uitkering aan werklozen en mensen in de werkverschaffing, terug te brengen van 50 naar 30 cent per uur. Een in het leven geroepen commissie adviseerde vervolgens het gemeentebestuur werkgelegenheidsprojecten te gaan creëren. De banne verklaarde zich toen bereid de ‘(klei)putten van Brouwer’ van Drechterland aan te kopen en de kanten met rietschokken te beschoeien. Hiervoor was ƒ 2500,- beschikbaar. Uitvoering in het kader van de werkverschaffing! De raad kon zich hierin vinden. 

 

Dirk Kool schreef ook meerdere revues voor verenigingen. Een van de mooiste teksten vind ik (JLvdG) deze: 

“M’n vader is een bouwer, z’n land bij de Ke-doik 

Ik zie h’m heel veer skra-pe, als ik ’t veld in-koik 

M’n vader het ’n skuit-je, dat bringt ‘m naar de bouw 

Hai moet dan al-les kloete, dat is ’n heel sjouw 

In ‘t veld deer staat ’n boet-je, heel op ’t ach-ter-stik 

’t Schot dat is van plan-ke, ’t dak is van oud blik 

Deer zie je meist geen men-sen, deer is geen naas-te buur 

M’n vader is al-lien-dig, alleen met de natuur”. 

Er zijn nog vele teksten van de hand van Dirk, o.a. een loflied over de Buurtjeskerk. De tekst van de openingsrevue van Cultura schreef hij ook. De speciale gast: het door hem verzonnen personage Keesie Pruttel, blijft onuitwisbaar in de geschiedenis bestaan met zijn commentaar: “Het ken nooit”. Een zeer creatief man, deze Dirk. 


In het schriftje, waarnaar Jaap van de Gruiter verwijst, komen we onderstaand passage tegen waarvan mag worden aangenomen dat deze afkomstig is van Dirk Kool: 

“Ik vernam alreeds dat op de a.s. zangersdag het Wilhelmus zal worden gezongen. Men denkt bij de Bond zeker: “’t moet alvast maar ingestudeerd!” Wie van onze leden zangers zal om zoiets uit de vereniging treden? En toch is er beslist in genoemde Bond een nationalistisch streven. Het is bijvoorbeeld ook niet onmogelijk dat zo’n Bond de koren oproept tot een aubade voor de Koningin te Amsterdam of Den Haag. En dan sta je daar als lid-antimilitarist in de chauvinistische en in-militaristische reclamestoet. En voorzeker niet voor je plezier. 

Maar dat is nu eenmaal het risico van aansluiting bij een burgerlijke vereniging. Die klip is slechts te omzeilen door oprichting van bijvoorbeeld een socialistische vereniging. Waar onze plaats zeer uitgebreid, en de socialistische beweging nog vrij zwak is, zouden dergelijke verenigingen moeilijk kunnen floreren. Het zal dan ook de vraag wezen van onze leden zangers en muzikanten of ze het principe zwaarder zullen laten wegen dan het kunstgenot. En inderdaad geloof ik dat het kunstgenot nummer 1 zal blijven bij de meesten.  

Moeten onze mensen dan overal maar ja en amen op zeggen? Mij dunkt niet. Ze moeten bij deze kwesties wel degelijk hun stem doen horen. En zo veel mogelijk het nationaal en militarisme van het jubileum aantonen. Maar als de beslissing valt ten gunste der feesten moeten ze meedoen. Een andere zaak is het met de mensen die niet in een koor of op een muziekkorps zitten. Die behoren in geen geval mee te feesten. En toch geloof ik vast dat van hen het grootste deel ook meesjokt. De mens is nu eenmaal een kuddedier. Vooral onder de jongeren zijn er weinig die een feest kunnen laten passeren. En toch meen ik dat dat een eerste vereiste is om tot een flinke anti-nationalistische beweging te komen.  

Allen, die als ik geprobeerd hebben de jeugd in andere richting te leiden, zullen me toegeven dat steeds het grote struikelblok is dat alle mogelijke uitjes de jeugd zo in beslag nemen dat er voor een fietstocht, een reisje, een vergadering of meeting geen tijd en geld over is. En ik meen dan ook dat men heeft te kiezen. Het een of het ander. En vooral in de eerste tijd is dat moeilijk. Omdat de kring nog klein is. Doch veel is er te winnen door hem gezellig, vriendschappelijk te maken. En dat zal moeten gaan ten koste van andere gezelligheid. Of …….het zal niet gaan. Zonder opoffering komen we er niet. En niet alleen de jongeren hebben hierin een taak. 

Ik meen dat de mensen die niet op een nationaal feest hoeven te wezen door hun lidmaatschap en uit sleur meelopen, veel schuldiger staan dan de anderen. Om de sleurfeestgangers aan onze zij te houden zou het misschien overweging verdienen om op dezelfde dag en uur een bijeenkomst te houden. Maar dan zullen we op onze mensen moeten kunnen rekenen. En zolang we dit niet kunnen moeten we volstaan met onze persoonlijke invloed aan te wenden zoveel we kunnen”.