Mantel Holland – een solo bloembollenhandeltje dat via de gebroeders D&K uitgroeide tot een wereld exportbedrijf
auteur: Redactie
bron: Jaarboek 1999
Dirk Mantel (1913-1993)
Wij, de redactie, vervolgen onze tocht langs Andijker bedrijven met een bloembollen bedrijf. Alhoewel we hier niet kunnen spreken van zeer oud, daar zijn we een beetje doorheen, mag het bedrijf “Mantel-Holland” er met haar leeftijd van ruim 60 jaar toch duidelijk spreken van een geschiedenis en wat voor één.
Bloembollenteelt was ver voor 1900 al bekend, in Andijk werd voor het eerst met de teelt van tulpen begonnen door burgemeester Reinder Kooyman ( 1859 tot 1891), wethouder Jacob Tensen (1915-1919) en Jan Groot Szn Na de le wereldoorlog kwamen er andere teelten bij zoals, irissen crocussen, gladiolen en lelies. Er waren toen al een paar Andijkers, zoals W. Kooiman P.P. zn. en W. Schenk Wz. die zich bezighielden als teler/handelaar van bloembollen.
Maar de eerste exporteur in bloembollen was DIRK MANTEL. Dirk Mantel werd geboren in 1913 en overleed in 1993 slechts enkele weken na zijn vrouw Teetje Heemsbergen.
Wij, de redactie, mochten kennisnemen van het door hem zelf vertelde levensverhaal dat op schrift werd gesteld door zoon Klaas Mantel en zijn echtgenote Ans Pelzer.
Daarbij brachten wij een bezoek aan het huidige bedrijf waarbij wij een zinvol gesprek hadden met één der directeuren Arie Mantel Dz., de ander is Dick Mantel Dz.
Zo ontstond het hierna volgende verhaal waarin heel duidelijk wordt dat de aanloop naar het huidige bedrijf een heel lange is geweest met ontzettend veel voetangels en klemmen, waar erg veel doorzettingsvermogen aan te pas is gekomen, waar letterlijk en figuurlijk vanaf de grond begonnen is. Kortom het verhaal van een fantasierijk man die ook erg veel van zijn Andijk hield. We brengen het verhaal in de “ik” vorm, waarbij de redactie soms iets gerangschikt heeft.
“Ik ben een Andijker en mijn vader en grootvader waren ook Andijkers (eerder waren er nog 6 generaties Mantel allen uit Andijk red). We werkten, net als zovelen hier, zes lange dagen in de week. Het waren geen tijden om naast het werk nog iets anders te doen. Het werk vrat ons op en de beloning was maar karıg.
In ons dorp staat onze familie bekend als “de mauzen”, vanwege de vele Mantel’s en daarom de bijnamen. Tot op de dag van vandaag weet ik niet waar we deze bijnaam aan te danken hebben.
In mijn jeugd op de lagere school zat ik in de klas bij meester Brouwer, die gaf cijfers van 1 tot 34. De beste van de klas werd nummer 1, de slechtste 34. Ik was wel eens 7e, maar ook wel eens 30e. Echt naar mijn zin op school had ik het niet, het was veel mooier om na schooltijd te vissen in de Zuiderzee.
Thuis konden we rondkomen van de opbrengsten van het land zo ongeveer twee en een halve hectare met aardappelen, bonen en erwten. Enig vertier was er als ik, samen met mijn broer Klaas, op zondag langs ging bij grootvader, chocolade drinken, taai-taai eten en een spelletje doen, dat was een aardige man. Onze vader overleed in 1922 en moeder bleef met twee kinderen achter, ik zelf was 9 en broer Klaas was 6 jaar.
We konden nog maar nauwelijks een bijdrage aan het gezinsinkomen leveren. Maar het was duidelijk dat onze omgeving met smart ging wachten op het moment dat wij van school zouden komen. Ons wachtte slechts een bestemming; het land op. Werken meeverdienen, hoe weinig dat ook opleverde, want alle beetjes moesten helpen. Het bedrijf dat mijn vader achterliet besloeg drie hectare, waarvan 150 R.R., ongeveer 2]00 vierkante meter, met tulpen werden beteeld: murillo’s. Zodra wij daartoe in staat zouden zijn moesten we het bedrijf overnemen. Maar voorlopig moest een andere oplossing gevonden worden.
Een broer van mijn moeder, Jacob Kort, is in die eerste periode, na het overlijden van mijn vader zo goed geweest om de zaak draaiende te houden. Dat was een enorme prestatie omdat hij dat moest zien te klaren naast het werk in zijn eigen bedrijf. Hij was een aardige zachte man met een goed inzicht. Ik keek erg tegen hem op, deze “Korte” was voor mij een inspiratiebron, hij leerde mij om verder te kijken dan je neus lang is. Er werd een paar keer een bedrijfsleider aangesteld, die naar ik meen tien gulden in de week kreeg boven de kost, maar na een paar jaar werd een andere oplossing gezocht. Het land werd verhuurd o.a. aan Nanne Groot (Rooie Nanne) en ik zou bij hem gaan werken. De 150 R.R. tulpen werd op contract geteeld bij een andere huurder, dat was nog een leuke bron van inkomsten.
Ik verliet op 11 jarige leeftijd de school en op 21 maart was het zover, de lange dagen begonnen, vroeg op, nooit later dan zes uur, ’s avonds altijd laat thuis. Zes jaar heb ik het daar uitgehouden, ondanks het harde werken, maar wij hebben elkaar nooit uit het oog verloren. Toen Nanne 80 jaar was, in 1970, kreeg ik een brief van hem waarin hij mij bedankte, dat hij mijn bedrijf, “dat grote bedrijf”, zei hij eerbiedig, nog een keer had mogen bezoeken.
Die regeling met de beide huurders heeft niet slecht gewerkt, maar na twee jaar trof ons een geweldige tegenslag. De tulpen, dat wil zeggen het stuk teelt dat, financieel het meest beloofde werd door een zware hagelbui volledig weggevaagd. Ik herinner mij de dag nog goed, 19 juni 1929, ik was aan het vissen achter dijk, de lucht werd snel donker en toen brak er een noodweer los, zo hevig dat er na afloop op het veld alleen nog maar wat groene steeltjes stonden. 150 R.R. tulpen totaal verhageld bij de grond af. Er kon nog enkele bossen in Rijnsburg verkocht worden voor een paar centen, maar met onze tulpenproductie was het definitief gebeurd.
Wat restte, was plantgoed, dat moesten we van de hand doen. Míjn moeder, een stille vrouw, was er verslagen van, zij had ook haar hoop op de tulpen gevestigd en nu was in een klap, met een onweersbui ons mooiste en belangrijkste product totaal vernietigd. Ze had er zoveel verdriet van dat ook mijn broer en ik wel voelden dat dit rampspoed over ons had gebracht. Het is inmiddels 1930 en de economische crisis diende zich aan en Nanne Groot wilde zjjn bedrijf niet in dezelfde omvang voortzetten en ik moest gaan. Het alternatief was, dat ik moest werken bij een baas, die als slechtste bekend stond in heel Andijk, ik had geen zin maar het moest. Bij Nanne Groot werkte ik nog met plezier, maar bij deze man kreeg ik strafwerk. Dan moesten er gladiolen gerooid worden, of erger aardappels uitzoeken, urenlang smerige rotte aardappels uitzoeken Er was toen niets te willen er moest gedaan worden, er was de strenge opdracht van oom Jaap om bij die baas te blijven werken. Door de crisis moesten de huurders van ons land van verder huren afzien. Noodgedwongen ben ik er toen met broer Klaas zelf aan begonnen, achttien jaar en Klaas vijftien. Mijn broer was een echte kweker, ik heb altijd anders gewild. Voor mijn moeder was het een geruststelling dat ik toch maar naar het land ging, ik begreep wel dat zij er blij mee was.
ONDER DIENST
Ik wilde zelfs wel gaan varen. Ik kon als kostwinner vrijstelling krijgen van de militaire dienst, maar ik wilde graag voor m’n nummer onder dienst. Dan kon ik proberen bij de Marine te komen. Via de burgemeester probeerde ik een aanbevelingsbrief voor de Marine te versieren, maar die wilde niet helpen omdat ik geen ervaring had met varen. Ik naar Enkhuizen, daar kon ik met schipper Lub een weekje mee op zijn botter en die gaf mij een “Getuigschrift”. Weer naar de burgemeester met dat bewijs, maar dat krabbeltje daar kon hij niets mee. Dus toch maar in dienst, ik was dan tenslotte even van dat land af. Die dienst zou 5 1⁄2 maand duren, het werd zo geregeld dat er geen verzuim ontstond in het werk thuis. Zo kwam ik bij het 21e Regiment Infantrie te Amersfoort. Op een dag zag ik daar de Koninklijke Marechaussee te paard door de straten gaan “dat zou het zijn” maar daar moest een cursus voor gevolgd worden, in Arnhem, maar dat kon mij niet schelen. Ik was echter niet zo’n snelle student, maar na de gehele diensttijd uren studeren, zeg maar tobben, in het militair tehuis, slaagde ik tot mijn eigen grote verbazing. Het werd mijn enige diploma wat ik ooit in mijn leven behaalde.
De medische keuring die bij de sollicitatie behoorde was goed en mijn vraag was aan de heren wanneer ik iets zou horen over een aanstelling. Het antwoord luidde dat ik op de wachtlijst zou worden geplaatst, om kort te gaan, nooit meer wat van gehoord! Ik zwaaide af en was weer terug, waar ik was vertrokken, op het land.
Dirk Mantel en Kees van der Kuilen op pad om gladiolen te verkopen.
DE EERSTE HANDEL
Maar toch was er iets belangrijks gebeurd. Naast dat neuzen in de boeken in Amersfoort was ik bij een gymnastiekvereniging gegaan. Ik hield van gymnastiek en jaren later heb ik in Andijk de gymnastiekvereniging “Eendracht Maakt Sterk” nog mee opgericht. Maar bij die vereniging in Amersfoort kreeg ik kennis aan éne Kees van der Kuilen en die heeft in de jaren die toen volgden een belangrijke rol in mijn leven gespeeld. Hij was al getrouwd en had drie kinderen en ik weet nog waar hij woonde, Hogeweg 109 in Amersfoort.
Kees nodigde mij uit bij hem thuis en ik was daar zo verguld mee dat ik hem vroeg ook eens bij ons thuis te komen kijken. Dat gebeurde voorjaar 1934, hij heeft toen de bloeiende bollenvelden bekeken. Toen ben ik de daarop volgende Kerst weer naar hem toegegaan om zijn raad te vragen over een probleem, dat toen de hele bloembollenbranche bezig hield. Er lagen overal grote partijen gladiolen die geen mens kwijt kon. Ik had bedacht dat ik er misschien mee langs de deuren kon gaan, ik vroeg aan Kees of dat mogelijk zou zijn. Kees was, en daar ben ik hem altijd dankbaar voor gebleven, vanaf het begin enthousiast voor het idee. Toen vroeg ik hem of ik dan in het nieuwe jaar een paar weken bij hem kon logeren. Dat kon en ík had eigenlijk gelijk wel willen beginnen, maar ik bedacht dat ik beter eerst een schriftelijke aanbieding kon maken, die bij de mensen in de bus doen en dan een paar dagen
later gaan horen of er belangstelling was voor mijn bollen. Op 11 januari 1935 was ík zowaar handelaar geworden, bloembollenkoopman. Nooit had ik enig spoor van handelsgeest bij mijzelf bespeurd.
Op die dag ging ik op pad in Amersfoort, Randenbroekerweg no 1l was het eerste huis waar ik aanbelde………. Er kwam een mevrouw aan de deur die heel uit de hoogte deed en gekleed was in een moderne ochtendjas, waar ik helemaal van in de war raakte, ik wist niet wat dat was. Pas later hoorde ik dat zo’n dun ochtendgewaad voor vrouwen een peignoir heette. Blozend en wel kon ik niet meer uit mijn woorden komen, want op zo’n verschijning had ik niet gerekend. Van het mooie verhaal wat ik in mijn hoofd had, over bloembollen en gladiolen kwam niets terecht, ik stond te stotteren en wist me geen raad en wist niet hoe snel ik weg moest komen. Toch maar het volgende huis geprobeerd en het daarop volgende, maar ik verkocht evenmin al verschenen daar geen hooghartige mevrouwen. Dat leuren van mij langs de deuren liep op niets uit. Kees die begreep bij mijn thuiskomst wel dat er zo niets van terecht kwam, ik deed het niet goed. Hij is een middag met mij mee gegaan om te laten zien hoe of je moest handelen als de deur open ging. We gingen naar Soesterberg want in Amersfoort was Kees veel te bekend. Hij zat in verschillende verenigingen en ze noemde hem “de zingende melkboer”.
Daar ín Soesterberg deed Kees het woord en het was duidelijk het verschil met mijn benadering was groot. Hij deed zeer vriendelijk en begon een praatje dat niets met de aanbieding te maken had. Zoiets als: “mooi weertje vandaag, vindt u ook niet ?” en hij nam steeds beleefd het petje af. Dingen waar ik helemaal niet aan gedacht had, ík verpakte mijn boodschap niet, dat was mijn fout. Ik vroeg direct “heb je mijn folder gekregen ?” of “moet je nog bollen ?” en met mijn pet deed ik al helemaal niets en het resultaat was dat de deuren weer net even hard dicht gingen als dat zij geopend werden.
Helemaal omschakelen en de stijl van Kees proberen was het enige wat mij te doen stond en……. ziedaar, het ging. Die middag verkocht ik zelfs meer dan hij, ik kende natuurlijk het product beter. Het werd een succes formule, tenslotte had ik zoveel orders bij elkaar dat ik mij kon bezighouden met de vraag hoe of de verkochte bollen het beste konden worden verpakt en afgeleverd. Dat was nog een hele puzzel. Bij een buurman van mijn Amerfoortse vriend kon ik een zolder huren met alleen dakpannen er op. Daar heb ik dagenlang gladiolen in zakjes zitten doen. Die zakjes betrok ik van een lokale drukker, maar ze hadden één gebrek; er zaten geen gaatjes in. Bloembollen moeten kunnen ademen, die hebben lucht nodig. Ik piekerde me suf om gaatjes in die zakjes te krijgen maar ik had geen beter idee dan met een hamer en een drevel te werk te gaan.
Toen dan eindelijk de gladiolen verpakt waren wilde ik er zo snel mogelijk van af. Ik moest met mijn leveranties tenslotte naar Hilversum en Utrecht en ik bezorgde het spul bij de adressen met een luxe huurauto. Ik had winst, jazeker en het eerste wat ik daarmee deed was een motorfiets kopen, een gebruikte zware FN met een 5 PK motor. De verkoop liep niet slecht en in de zomer besloot ik verder te gaan en de zaak werd beter voorbereid. Ik huurde in Amersfoort een pakhuis en een medewerker werd aangetrokken. Dat was iemand uit Amersfoort die ik daarom uit een reeks van sollicitanten gekozen had, hij kon als het ware bij zijn buurman beginnen. De volgende stap was nog twee medewerkers er bij, een vader en een zoon uit Alphen aan de Rijn (beurtschippers) die woonden aan de Grote Koppel in Amersfoort. Daar was een pakhuis bij waar van ’s morgens zeven tot negen uur werd ingepakt en dan van negen tot zes uur langs de weg en ’s avonds weer inpakken en de administratie bijwerken Dat ging een tijdlang goed, maar ik werkte veel te hard, zonder dat ik daar erg in had, maar het ging ten koste van mijn conditie.
Op een maandagmorgen kreeg de harde kou mij te pakken, ik raakte half bedwelmd en veroorzaakte een aanrijding, nauwelijks verkeer, maar toch. Met een beste hoofdwond bracht men mij bij een drogist binnen, meters verband naar huis en veertien dagen naar bed. Het enige wat ik aan mijn hoofd had was dat verband. Het heeft naderhand de nodige inspanningen gekost om mijn administratie weer op orde te krijgen.
Zo werd het 1937 en ik leerde mijn vrouw kennen, Teetje Heemsbergen. In 1938 zijn we verloofd en toen heeft Teetje ook nog een tijdje in Amersfoort gewerkt in de huishouding. Een jaar later in 1939 zijn we getrouwd.
In 1939 vormde ik al samen met mijn broer Klaas het bedrijf zoals het jaren lang zou heten: Gebr. D.& K Mantel.
Klaas hield zich bezig met het kweken en het land, terwijl ik me alleen met de handel bemoeide.
OMSCHAKELING
Het was een hard bestaan, verkopen en over je product praten dat ging nog wel, maar het marskramerswerk begon mij tegen te staan. Garen, band en andere huishoudelijke artikelen zijn dingen van het dagelijks gebruik, maar bloembollen daar moet je toch lang voor praten en als die uitgebloeid zijn worden ze niet vanzelfsprekend vervangen, dan moest er weer gepraat worden om mijn handel voort te zetten.
Er was maar een klein deel van mijn klantenbestand waar ik wel plezier in had, dat waren de hoveniers en bloemkwekers, dus de professionele gebruiker. Met hun praatte je veel anders als met de dames aan de deur, waarom zou ik me niet gaan concentreren op die hoveniers en bloemkwekers? Ik deed dat, en toen nam ik gelijk het besluit om afscheid te nemen van de beide heren vertegenwoordigers. Dat speet mij in het geheel niet want al eerder was uitgekomen dat ik mij op deze mensen wat verkeken had. Zij zijn voor eigen rekening doorgegaan en het huurpand liet ik aan ze over.
Intussen had ik een nieuwe pakplaats ingericht bij mijn moeder op zolder. In feite werd toen het bedrijf verplaatst van Amersfoort terug naar Andijk. Ik maakte een liftje dan hoefde ik niet alles bij de trap op te sjouwen, enkele manden er op en dan trok ik het ding naar boven. Langzamerhand werd de omzet in de detail steeds groter, ik was veel op stap en nam dan de boekhouding mee.
Bij een vriend in Limburg werd alles uit de auto gestolen, die voor de deur stond. Toen wist ik niet meer waar ik aan toe was want het ging inmiddels wel over zo’n 500 klanten. Alles was weg openstaande posten en orderbriefjes, alle klanten moest ik opnieuw langs. Dat was me een toestand
OORLOG
Zo tegen de oorlog ging de handel nog steeds redelijk, voor de mobilisatie huurden we een grotere schuur, het eerste bedrijfspand aan het Hornpad. Maar op 25 augustus ’39 werd ik opgeroepen om naar de “Grebbelinie” te gaan, ingedeeld bij het 21e Regiment Infantristen. Toen ik kort na de oorlogsdagen in mei 1940 thuiskwam, was onze schuur in gebruik voor de evacuees uit Soest die hadden moeten wijken vanwege verwachtte oorlogshandelingen, die voor hun achteraf meevielen.
Overigens zag ik het toen niet erg meer zitten, mijn hele bezit was f. 15.-
Tijdens de oorlogsjaren verdween de bollenhandel al spoedig naar de achtergrond, wij hadden een voedselvoorzienigs-afdeling in de schuur en tenslotte werd er tabak verhandeld.
Met de bevrijding hadden de bloemenhandelaren enorme prijzen gemaakt voor bloemen waar wij de bollen en knollen voor geleverd hadden met een directe contante betaling. Wij hadden ook in de laatste oorlogsmaanden weer evacuées in huis gehad, ditmaal uit Venlo, aan die mensen heb ik later veel plezier beleefd. In 1948 reisde ik naar Duitsland om bollen te verkopen maar ik kende geen enkele taal, maar genoemde man uit Venlo ging met mij mee. We hebben toen in Duitsland achter elkaar ik weet niet hoeveel orders geboekt, maar er was een groot probleem ik had geen exportvergunning. Ik vroeg dat aan en moest voor een commissie verschijnen, doch ik ging met een weigering de deur uit o.a. omdat ik de Duitse taal niet kende. Vrienden speelden toch een belangrijke rol in mijn leven, ook op dat moment, een vriend van mij speelde het wel voor elkaar en een geweldig gebied lag voor ons open.
Er werden ontzettend veel bollen verkocht aan de broeiers met name Krelage Triumph en Lustige Witwe, ik werd wel de Krelage koning of Lustige Witwe keizer genoemd.
Toen kwam er de gelegenheid voor jonge exporteurs om op Engeland te exporteren. Binnen enkele jaren waren wij de grootste leverancier aldaar.
Met de “Amaryllus Flora” ben ik naar Japan gereisd. De gladiolen uit dat land, kwamen zo slecht van kwaliteit aan en daarom vroeg men mij om mee daar naartoe te gaan om de bollen te keuren. Zo gebeurde het, we hebben de zaak bekeken. We kwamen daarbij in de bergen terecht en zagen hoe armoedig of dat ging met die kwekers.
Ik had ook contact met een zaadhandel in Enkhuizen, die wilde mij mee hebben naar Frankrijk. Gezellige mensen en zo ben ik verscheidene jaren naar de beurs in Angers geweest. Ik ben zelfs nog op de TV geweest toen ik de eerste bleek te zijn die lelies importeerde. Het waren weer vrienden en kennissen die mij hielpen met de taal, een vriend zei eens: ” Hij kent eén taal goed en dat is wartaal! Ondanks dat bezocht ik vele landen, zoals: Denemarken, Japan, Brazilië, Filipijnen, Zuid-Afrika, Israël en natuurlijk Duitsland enz.
We zijn in 1955 op de Middenweg gekomen en daar hebben we wel 13 keer verbouwd. Daarbij werden drie sloten gedempt en nu staat er een oppervlakte van 11.000 meter !! Aldus het verhaal van de grondlegger Dirk Mantel. Hij overleed dus in 1993, op 80 jarige leeftijd. In 1979, op 65 jarige leeftijd deed hij het bedrijf over aan zijn zoons Arie en Dick. Daaraan vooraf moeten we nog melding maken van het feit dat in 1956 al een scheiding tot stand gebracht werd tussen het handels- en teeltbedrijf, van welke het laatste werd behartigd door broer Klaas. Deze overleed in 1965, waarna het teeltbedrijf later door zijn zonen, Dirk en Harry, vanaf 1970 geheel zelfstandig is voortgezet aan de Dijkweg.
De huidige directeur, zoon Arie, weet zich de overgang van Hornpad naar de Middenweg nog goed te herinneren, híj was toen 12 jaar. We moesten de eerste geleverde bollen daar nog opslaan onder dekzeilen. Hadden we aan het Hornpad nog 5 a 6 werknemers, dat is thans uitgegroeid tot 50 vaste medewerkers en in de twee hoogseizoenen die wij kennen tot 200 seizoen medewerkers(sters). De oppervlakte die het geheel beslaat is 2 ½ HA. bedrijfsgebouwen en er wordt nog 1 ½ HA. bijgehuurd. In 1979 is met de broeiershandel gestopt, daarna is de omzet met sprongen toegenomen en behoort het bedrijf tot de top drie op het gebied van droogverkoop in Nederland. In 1988 werd het 50 jarig bestaan van het bedrijf gevierd en werd de naam “MANTEL HOLLAND” wat te maken had met het feit dat deze naam veel gemakkelijker te hanteren was op wereldniveau. Vorig jaar bestond het bedrijf dus 60 jaar. In 1983 werd begonnen met verpakte zaden onder de merknaam “SEM”, groenten- en bloemzaden, peulvruchten, specialiteiten en F1 hybriden. Filialen in Duitsland, Engeland en Spanje.
Er wordt geëxporteerd naar meer dan 30 landen, alles aan de eisen van deze tijd aangepast met een “Keurmerk”. 1200 Verschillende verpakkingen, die in eigen beheer ontworpen zijn, tot en met kant en klare winkelverpakkingen. Dit alles wordt op meer dan 30.000 pallets per jaar afgeleverd. De omzet van 5 miljoen in 1960 is inmiddels vertienvoudigd!
Een bladzijde uit 1 van de eerste kasboeken, mei 1938. Duidelijk is het wijdvertakte klanten bestand wat inmiddels is opgebouwd. Maar ook dat er enorm veel moest worden omgezet eer er een aardig stuk brood verdiend werd en daarnaast nog de mogelijkheid overbleef om aan enige uitbreidings-investeringen te doen.
Aan het Hornpad, in het midden het bedrijfspand wat in 1955 verlaten werd.
Waarschijnlijk op 29 september 1958 bezocht de Commissaris van de Koningin, samen met het Andijker college van B&W, het toen nog jonge bedrijf van D&K Mantel aan de Middenweg. v.l.n.r. D. Mantel, Comm.dhr. Kranenburg, weth. K. Nierop, medewerker Joh. Schouw en op de achtergrond weth. J, Breg.
In 1949 was een aparte Prijscourant voor Duitsland al een noodzaak. Je moest het de klanten echt makkelijk maken want wat was Andijk nou eigenlijk, vandaar dus “Bei Enkhuizen”.
Wij, de redactie, heeft hiermede kennisgemaakt met de geschiedenis van het grootste bedrijf dat Andijk kent, opgezet door Andijkers en nog steeds gevoerd door Andijkers. Wij willen hier nog eens onze dank uitspreken aan Klaas Mantel en zijn vrouw Ans Pelzer, Arie en Dick Mantel de huidige directeuren en aan mevr. M Mantel-Schenk.









