Andijker ‘klei’bollen met een gouden rand
auteur: Redactie
bron: Jaarboek 2024
De tulp komt oorspronkelijk uit Turkije en kreeg daar al gauw een bijzondere status. De sultans van het Ottomaanse rijk, zoals Turkije toen heette, lieten hun paleizen versieren met tulpen. Het woord tulp komt van het Latijnse woord tulipa: de bloem die lijkt op een tulband. Ze zijn pas in de zestiende eeuw in Nederland geïntroduceerd. De plantkundige Carolus Clusius speelde daarbij een belangrijke rol.
In de 17e eeuw is, in wat nu ‘de bollenstreek’ wordt genoemd, -het gebied tussen Leiden en Haarlem- de basis gelegd voor de ontwikkeling van de bloembollencultuur tot een van de belangrijkste takken van tuinbouw in Nederland. In de jaren 1636 en 1637 heeft het groeiend enthousiasme voor deze -van oorsprong exotische- gewassen, geleid tot de tulpenwindhandel. Grote vermogens werden betaald voor een enkele tulpenbol. Maar…bomen, bollen, noch aandelen groeien tot in de hemel.
Dit intermezzo heeft niet geleid tot de ondergang van de bloembollencultuur. Integendeel, in de tweede helft van de 19e eeuw neemt de productie snel toe door de groeiende vraag naar deze bijzondere gewassen en de betere mogelijkheid tot transport. In die tijd, rond 1866, worden ook de eerste experimenten uitgevoerd, met name op Andijk, met de teelt van bollen op zwaardere gronden. Dat mislukt dan nog. Maar na 1900 wordt toch langzaamaan meer ervaring opgebouwd: in 1912 is de totale oppervlakte tulpen in West-Friesland 190 ha, waarvan 37 ha in Andijk. Andijk, dat in die jaren daarmee het grootste bloembollendorp in ‘de Noord’: West-Friesland en de kop van Noord-Holland.
Pioniers
Al snel worden ook andere bol- en knolsiergewassen beproefd, m.n. gladiool, iris, krokus en lelie worden in dit gebied belangrijke producten. De pioniers van deze nieuwe tak van bedrijvigheid hebben al snel begrepen, dat ze hun positie op de markt, waarin de oude gerenommeerde handelshuizen het voor het zeggen hebben, moeten versterken. In 1918 nemen leden van de Afdeling Andijk van de Algemene Vereeniging voor Bloembollencultuur het initiatief en zoeken contact met collega’s in Enkhuizen en Bovenkarspel. Met Westfriese voortvarendheid besluit men tot de oprichting van een eigen verkooporganisatie en binnen een jaar wordt de bloembollenveiling-vereniging ‘West-Friesland’ opgericht. Andijker Willem Schenk (1880) speelt vanaf het begin tot in 1948 in bestuur en organisatie een belangrijke rol.
Na een periode van teruggang van de Nederlandse bloembollencultuur in en kort na de Eerste Wereldoorlog, vangt begin jaren ’20 een tijd aan van spectaculaire ontwikkeling. West-Friesland in het algemeen en Andijk in het bijzonder, delen in de groei. Het kan niet op. Er wordt goed verdiend en dat (ver)leidt tot zware investeringen. Ook de Gereformeerde Kerk deelt in de welvaart: in 1930 wordt een prachtige nieuwe kerk in gebruik genomen.
Beurskrach
Maar dan volgt de kater. In oktober 1929 stort de beurs van Wall Street in en de wereldeconomie zakt in elkaar. Ook de tuinbouw en daarbinnen de bloembollensector, de kurk waarop veel ‘bouwers’ drijven, zinkt heel diep weg. De prijzen dalen tot ver onder de kostprijs, veel partijen zijn onverkoopbaar en draaien door op de veiling. De waardevermindering van de munt in de ons omringende exportlanden doet er nog een schepje bovenop. In samenwerking met de overheid wordt een drastische teeltbeperking doorgevoerd. De oprichting van een ‘Bloembollen Surplusfonds’ moet sanering brengen. Per bedrijf wordt een maximaal te betelen oppervlakte vastgelegd, gekoppeld aan een minimum prijs. Wanneer een partij bollen onder die prijs zakt wordt deze vernietigd en de teler ontvangt een vergoeding uit dit Surplusfonds. Dit fonds wordt gevuld door heffingen op iedere transactie. En dat is vaak een zware last, in 1939 bedraagt deze bijvoorbeeld 25%! Op deze wijze wordt door de marktpartijen een zeker evenwicht tussen vraag en aanbod bereikt. Het systeem functioneert nog tot lang na de Tweede Wereldoorlog en wordt pas rond 1970, door maatregelen uit Brussel (EU), afgeschaft.
Lange tijd was de teelt van bloembollen een zeer arbeidsintensief proces. Planten, gewasverzorging, oogsten, pellen en behandeling, alles gebeurde voorzichtig en met de hand. Pas na 1960 komt de mechanisatie goed op gang. Er worden speciale machines en technieken ontwikkeld waardoor het toch mogelijk blijkt een hoge kwaliteit te behouden.
Het transport maakte ook een sterke ontwikkeling mee. Tot aan de ruilverkaveling in de jaren ‘60 wordt de teelt op Andijk uitgeoefend in een ’vaarpolder’. De tuinders moesten vaak ’s morgens en ’s avonds een uur of langer varen om op het land te komen. Het geoogste product werd per schuit naar de schuur gebracht en tot in de jaren ’30, na verwerking, per schuit naar de veiling getransporteerd en vandaar met de ‘beurtschipper’ naar de bollenstreek vervoerd. Daarna kwam het wegtransport sterk tot ontwikkeling en na de verkaveling kon men ook de percelen over land bereiken.
Dan heeft inmiddels de mechanisatie ook toegeslagen. Veel land op Andijk is wat te zwaar om met grote machines het planten en rooien op een goede manier te kunnen verrichten. Het gevolg is dat de grotere bedrijven op iets lichtere gronden gaan telen, vooral in de IJsselmeerpolders. Voor veel kleinere tuinders betekent deze ontwikkeling het einde van hun bedrijf. Menigeen vindt werk bij de zaadbedrijven in de omgeving en o.a. bij de ‘Draka-Polva’ in Enkhuizen, de havens van Amsterdam, Hoogovens in IJmuiden en Monroe in Medemblik.
De tulpenpioniers op Andijk
Bij de eerder genoemde spectaculaire ontwikkeling in de jaren ’20 staken meerdere Andijker ‘bouwers’ hun hoofd boven het maaiveld uit en namen behoorlijke risico’s.
Het Weekblad voor Bloembollencultuur vermeldt in mei 1951 dat plaatsgenoot Willem Kooiman P. Pzn maandag 7 mei jl. een ‘uiterst zeldzaam jubileum’ mocht beleven. Vanaf 6 mei 1901 tot aan 7 mei 1951 was de heer Kooiman namelijk iedere maandag op de Haarlemse Bloembollenbeurs aanwezig. Voor redacteur W. Siebesma en verslaggever J.H. Kaastra van De Andijker (Nieuws- en Advertentieblad voor de Gemeente Andijk) aanleiding om hieraan een artikel te wijden in de uitgave van 26 mei 1951. Uit het persoonlijk onderhoud dat zij met Kooiman hadden citeren we letterlijk:
“Ze gingen met z’n drieën naar de groene veiling te Bovenkarspel, t.w.: Willem Kooiman P.Pz., Piet Kooiman Rz, en Piet Kooiman P. Kz., allen uit de Horn. Hier lieten zij zich voorlichten door de heer Andries Oudes en deelden hem mee dat ze plannen hadden om voor een tientje aan bloembollen te kopen. De heer Oudes moest eerst eens hartelijk lachen en adviseerde de adspirant-kwekers om voor minstens f. 50,- aan bollen te besteden. Het werd een bedrag van f. 80,- en toen de heer Kooiman daarna thuis kwam bleek vader Kooiman lang niet te spreken en van oordeel dat hij z’n geld net zo goed in het water had kunnen gooien. De gekochte soorten waren: Rose Crisdelin, Gele Prins, Scarlet Duc, Murillo, Moore en Grand Duc.
Ieder zette 18 roe (plm. 250 m²) op en toen in het voorjaar van 1902 f. 130,- voor de partij kon worden gemaakt, adviseerde vader Kooiman om ze direct te verkopen. Dat was nog ’s een winst!, van f. 80 er 130 terug te ontvangen. Willem Kooiman ging echter door en kocht er in de herfst van 1902 nog voor f. 250 bij en zette dat jaar zo’n 160 roe op. Het derde jaar werd het areaal nog vergroot naar 240 roe.
Willem Kooiman P. Pzn.
Roe
De Rijnlandse Roede (afkorting RR) was de standaard gehanteerde oppervlaktemaat in de bollenteelt. 1 roe is bijna 15 m². In 1 hectare gaan 700 RR.
>9 = leverbaar | <10 = plantgoed
De oogst van tulpenbollen wordt gesorteerd in standaard bolmaten: 9, 10, 11, 12 / 12-op. (In de volksmond negens, tienen, elven en twaalven). Alles boven 9 is leverbaar, onder 10 is plantgoed. Leverbaar kan worden afgebroeid voor de bloem of gaat naar de kleinverpakkingshandel voor uitplant in de tuin. Bij leverbaar geldt: hoe groter de maat, hoe hoger de prijs. Plantgoed, de bollen dus < 9, wordt door de bloembollenkweker in eigen beheer opnieuw uitgeplant voor een volgende bollenoogst.
Willem Kooiman, met ds. Hendrik Steen (rechts), zittend op de motorkap van de auto van -vermoedelijk- Kooiman. Kooiman en Steen waren nog een tijdje overburen nadat Kooiman de villa ‘Chilosa’ aan de Middenweg had laten bouwen. Het Italiaanse woord Chi-lo-sá betekent: Wie zal het weten…..
Toen kwam plotseling de kentering. Voorjaar 1904 kwamen naar gelang soms 20, soms 30 en zelfs 50 man per dag naar de stand van het gewas en de opbrengst kijken. De een kocht 1 bedje en een ander 2 bedjes tulpen en vanaf die tijd geraakte Kooiman zomaar volop in de handel. Eerst was het nog commissiewerk voor Andries Oudes. Het betrof hier volop de handel in ‘plantgoed’ en het kopen van ‘leverbaar’. Praktisch zit de heer Kooiman dus al zo’n halve eeuw in de ‘plantgoedhandel’, iets wat nog nimmer is voorgekomen en als iets zeldzaams kan worden aangemerkt.
Naast de eigen handel in plantgoed heeft de heer Kooiman ca. 20 jaar voor de firma Van Waveren het leverbaar gekocht. Kooiman vertelde dan, op de hem zo eigene wijze, van de verzending der gekochte goederen. Eerst moesten deze per schuit naar De Streek worden gevaren om dan per spoor te worden doorgezonden. Schipper v.d. Linde uit Hillegom zat echter ook niet stil en kwam met zijn motorschuit naar Broekerhaven, zodat overladen in de bollenstreek niet meer nodig was. De spoorwegen zagen hun vracht dus door een ander weggesleept worden en vrijwel wekelijks kwam er bezoek bij Kooiman met steeds scherper berekende vrachtprijzen. Kooiman zei op een wijze die wij allen zo goed kennen: Wat maken jullie toch een drokte om dat prussie van moin. Maar het antwoord was: Maar Kooiman, weet u wel dat u vorig jaar zo’n 118 spoorwagons hebt verzonden? De spoorwegen wonnen het pleit en het was in die tijd dat Kooiman soms vijf tot zes spoorwagons plantgoed in een keer kocht. En dan hebben we het nog niet eens over al het leverbaar dat ook door hem naar ‘De Zuid’ werd gezonden.
De oorlog die in 1914 uitbrak legde de handel volkomen stil. Drie wagons stonden geladen om te worden verzonden en er kwam voor nog drie wagons lading in schuiten aanvaren. De drie geladen wagons moeste worden ontladen en de andere drie werden geweigerd omdat het Rijk al de wagons had gevorderd. Al deze goederen werden aanvankelijk opgeslagen in Koedooders Kunstmestloods maar werden laten thuisgehaald. Dit alles werd voor Kooiman een strop van zo’n f. 70.000,- Toen dan ook de novembermaand daar was kon Kooiman niet aan zijn verplichting tot betalen voldoen en gaf de helft. Binnen de twee jaar echter hadden de leveranciers ook het resterende bedrag in hun bezit.
De oorlog die in 1914 uitbrak legde de handel volkomen stil. Drie wagons stonden geladen om te worden verzonden en er kwam voor nog drie wagons lading in schuiten aanvaren. De drie geladen wagons moesten worden ontladen en de andere drie werden geweigerd omdat het Rijk al de wagons had gevorderd. Al deze goederen werden aanvankelijk opgeslagen in Koedooders Kunstmestloods maar werden laten thuisgehaald. Dit alles werd voor Kooiman een strop van zo’n f. 70.000,- Toen dan ook de novembermaand daar was kon Kooiman niet aan zijn verplichting tot betalen voldoen en gaf de helft. Binnen de twee jaar echter hadden de leveranciers ook het resterende bedrag in hun bezit.
Ziehier een stukje levensgeschiedenis van een jong en vooruitstrevend zakenman gedurende de eerste 13 jaren. Toen hij voor het eerst naar Haarlem ging was hij 22 jaar en gehuwd en toen in 1914 de mobilisatie uitbrak nog maar 35 jaar oud. We zouden nog veel meer kunnen opsommen, doch we laten liever de gelegenheid aan de heer Kwantes, die tal van jaren de rechterhand van de heer Kooiman is geweest. De heer F. Kwantes kwam 1 mei 1924 bij Kooiman in dienst. De eerste boekhouder van Kooiman was Adriaan van Dorp, later werd het meester Meyer en nog later (dus tot 1924) Piet Kooiman Jacz. Kwantes vertelde zo in het algemeen iets over het vele werk dat moest worden verzet. In de drukke tijd lagen er stapels op stapels orders want veel moest weer worden doorgeleverd en vaak nog eens worden doorgeleverd. Eén en dezelfde partij werd verkocht, weer gekocht en opnieuw verkocht en zo soms tot zevenmaal toe.
Kooiman kocht soms hele percelen ‘ineens’. Hij was werkelijk een expert op zijn terrein en wist precies wat er alzo aan de hand was. Op één dag was er zelfs een afnemer voor f. 81.000,- en één voor ruim f. 25.000,- dus voor meer dan f.100.000. Veel plantgoed werd in Friesland en Groningen verkocht. Op dinsdag en woensdag stonden vaak honderden kisten en manden in de schuur aan de Horn ‘Deo Juvante’ voor verzending gereed en Doef moest maar zorgen dat het weg kwam. Er was zelfs een dag van 1400 kisten en manden, nou dat zegt wat. Eerst kreeg Kwantes assistentie van Jac. Kooiman Wz. en later ook nog van D. Schuitemaker en altijd was daar Kooimans gezegde: Nou Frans, je redde je wel hé?
Een belangrijk persoon was de heer Doef. Deze genoot het volle vertrouwen van Kooiman en diende hem jarenlang trouw. Ook hij heeft enorm veel werk moeten verzetten en er zijn ook heel wat ‘grappen’ uitgehaald. Kooiman noemde Doef dan: de opperzangmeester. Later kwam er de ‘eigen expeditie’ onder H. Bultsma en ook door hem is er als het ware ge-ezeld. Wat een vrachten sleepte die kerel naar De Zuid. Nacht en dag was hij soms in de weer.
Kooiman was minstens 30 jaar correspondent van het Scheidsgerecht, hoofdbestuurslid van de Alg. Vereniging voor Bloembollencultuur en tevens bestuurslid en penningmeester van de plaatselijke afdeling. Hij was administrateur en diaken der Geref. Kerk en mede door zijn toedoen is de nieuwe gereformeerde kerk en pastorie gebouwd. Hij werkte dus niet alleen voor zichzelf maar deed ook veel belangeloos op ander gebied. Velen mochten maandags met hem meerijden, hoewel ze hem nog geen kopje koffie hebben aangeboden als dank. We zeggen deze dingen eens om de voorbije jaren opnieuw voor onze jongere en oudere plaatsgenoten te laten leven.
En tot slot geven we nog het woord aan de heer M. van Heezen, die de waarde van de jubilaris, door alle tijden heen, op zo’n juiste prijs heeft weten te stellen:
6 mei 1901…! Willem Kooiman voor het eerst naar de Bloembollenbeurs te Haarlem…! Wat zegt dit feit over ons Andijkers…van 1951…. Ogenschijnlijk zo goed als niets! En toch… is deze datum gebleken te zijn… een uiterst belangrijke voor onze gehele dorpsbevolking! Want op die dag is nieuwe bron van ‘welvaart’ aangeboord waarvan wij allen nog profiteren! Weliswaar was reeds eerder door enkele vooruitstrevende kwekers een poging in die richting gewaagd, doch zonder blijvend resultaat. Maar nu, dankzij het feit dat deze pionier nog meer handelaar dan kweker bleek te zijn, werd de ‘bollenbouw’ populair te Andijk en heeft enorm veel bijgedragen aan de materiële welvaart van ons dorp en verre omtrek.
Nu dient erkend dat de mentaliteit van de Andijker tuinders, zijn streven ten zeerste heeft bevorderd, want het is van algemene bekendheid, dat een halve eeuw terug, het conservatisme in bedrijfsbeheer, de tuinders een tweede natuur was. In tegenstelling daarmede vermelden we dat vele van onze toenmalige tuinders en landbouwers, vooral te Andijk, zeer vooruitstrevend waren en graag wat nieuws aanpakten. Voeg nog daarbij dat onze jonge koopman-kweker, naast een goede kijk op zaken en vooruitzichten, een verkooptalent bezat dat hem in staat stelde om desnoods keistenen voor banketletters te verkopen, en het is duidelijk dat er in weinige jaren een handel werd opgebouwd, die bijkans ‘enig’ was, ook in de bollenwereld. Vele kleine tuinders werden door hem tegen zeer gemakkelijke betalingsvoorwaarden aan bloembollen geholpen en danken daardoor hun vooruitgang aan hem. Tot aan de grote crisis in de dertiger jaren was Kooimans plantgoedhandel een van de grootsten in het bollenvak en voor miljoenen is er in die jaren omgezet”.
Nog zo’n pionier was Willem Schenk
Ook Willem Schenk behoorde tot de pioniers van de bloembollenteelt in West-Friesland: al in 1904 teelde hij een drietal ‘cultivars’ en hij leent daarvoor f. 1200 met als onderpand een stuk bouwland. Het assortiment breidde snel uit. In 1920 deed hij een gouden greep: hij kocht alle bestaande 100 bollen van de tulp ‘Oranje Nassau’ voor f. 1,00 per stuk. Tien jaar later kon hij van een deel van de opbrengst de fraaie villa ‘Oranje Nassauhoeve’ aan de Middenweg te Andijk laten bouwen. Inmiddels behoorde zijn bedrijf tot de grootste in het dorp.
Aanvankelijk deden zich veel moeilijkheden voor bij de afzet, omdat de commercie werd beheerst door de handelshuizen in de bollenstreek tussen Haarlem en Leiden. Men stak de koppen bij elkaar en Willem Schenk werd met Jan Buisman aangewezen om de mogelijkheden in de eigen regio te onderzoeken. Dit leidde tot de oprichting van de bloembollenveilingvereniging West-Friesland in Bovenkarspel. Als bestuurslid en keurmeester heeft Schenk tot zijn 65e jaar een hoofdrol gespeel in deze organisatie. Samen met zijn broer Piet heeft hij ook de Afdeling Andijk van de Koninklijke Algemene Vereeniging voor Bloembollencultuur opgericht. In 1956, bij de viering van het gouden jubileum, waren zij de enige nog in leven zijnde oprichters. Ook voor het verenigingsleven heeft Willem Schenk veel betekend, zo was hij erelid van de Chr. Muziekvereniging ‘Sursum Corda’. Pop Vriend, gehuwd met dochter Grietje, kocht in 1950 de ‘Oranje Nassauhoeve’ met de achterliggende schuren van schoonvader Willem om daar zijn zaadexportbedrijf uit te oefenen.
In ’Willemsoord’, eveneens een fraaie door Willem Schenk gebouwde woning een paar huizen verder aan de Middenweg, kwam later dochter Nel te wonen samen met haar man Jetze Brinksma. En ook dochter Bregtje, gehuwd met Simon Groot, mocht een door haar vader gebouwde woning betrekken, een paar huizen voorbij haar zus Nel.
Toen eind december 1958 verzorgingshuis ‘Sorghvliet’ werd geopend behoorden Willem Schenk en Brechtje Prins tot een van de eerste bewoners.
Willem Schenk (1880 – 1962) en Brechtje Prins (1883 – 1957)
Bronnen: Familie Schenk: uitgave van de Stichting Westfriese families van het Historisch Genootschap Oud West-Friesland 2003. Archief ‘De Andijker’. Beelden: fam. Mantel-Vriend, fam. Waardenburg-Groot.






